ECLI:NL:HR:2021:1799

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 november 2021
Publicatiedatum
26 november 2021
Zaaknummer
20/01491
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 588 lid 1 sub b sub 3 SvArt. 302.1 SrArt. 285.1 SrArt. 197 Sr
Verwijzingen
7 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid dagvaarding in hoger beroep wegens onjuiste woonplaatsvermelding

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte bij verstek was veroordeeld wegens poging tot zware mishandeling, bedreiging en illegaal verblijf. De dagvaarding in hoger beroep was uitgereikt aan de griffier omdat geen woon- of verblijfplaats van verdachte in Nederland bekend was.

Verdachte had in een politieverhoor echter een adres van zijn moeder opgegeven als postadres en verblijfplaats, en tevens een adres van zijn vriendin waar hij meestal verbleef. Het hof oordeelde dat geen van deze adressen als feitelijke woon- of verblijfplaats kon gelden en verklaarde de dagvaarding rechtsgeldig.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof dit kennelijk onjuist heeft beoordeeld, omdat niet was nagegaan of het opgegeven adres redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats kon gelden, zoals vereist volgens eerdere jurisprudentie. Daarom verklaart de Hoge Raad de dagvaarding in hoger beroep nietig en vernietigt het arrest van het hof.

Deze uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van de woon- of verblijfplaats van een verdachte bij betekening van dagvaardingen in hoger beroep, ter waarborging van het recht op een eerlijk proces.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig wegens onjuiste beoordeling van de woon- of verblijfplaats van verdachte.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/01491
Datum30 november 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 28 februari 2012, nummer 21-004099-11, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft F.T.C. Dölle, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend (uitgereikt).
2.2
Het arrest van het hof is bij verstek gewezen. De verdachte was in eerste aanleg evenmin ter terechtzitting aanwezig. Volgens artikel 588 lid Pro 1, aanhef en onder b sub 3, (oud) van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) wordt een dagvaarding uitgereikt aan de griffier indien de geadresseerde niet in Nederland is gedetineerd, niet als ingezetene is ingeschreven in de BRP, niet een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland van hem bekend is noch een adres in het buitenland. Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland kan evenwel niet worden aangenomen, indien niet is getracht de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op het uit de stukken blijkend – voor de hand liggend en niet door latere opgave achterhaald – adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats zou kunnen gelden (vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163).
2.3
In de bestreden uitspraak ligt als oordeel van het hof besloten dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend. De inhoud van de stukken met betrekking tot het procesverloop die voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijn, is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 6. Die stukken houden in dat de dagvaarding in hoger beroep op 10 januari 2012 is uitgereikt aan de griffier omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was en dat de verdachte in zijn politieverhoor van 15 oktober 2008 als adres heeft opgegeven het adres van zijn moeder: [plaats] , [a-straat 1] , dat hij heeft verklaard dat dit tevens zijn postadres is voor meldingen in strafzaken, en dat hij er soms slaapt, maar meestal bij zijn vriendin in [plaats] , [b-straat 1] . Verder houden die stukken in dat blijkens een ID-staat SKDB van 7 februari 2012 vanaf 6 maart 2008 geen GBA adres (thans BRP adres) van de verdachte bekend is en geen laatst opgegeven woon- of verblijfplaats beschikbaar is. Het kennelijke oordeel van het hof dat geen van de door de verdachte in het politieverhoor van 15 oktober 2008 opgegeven adressen kan worden aangemerkt als een adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats zouden kunnen gelden en de verdachte rechtsgeldig is gedagvaard voor de terechtzitting in hoger beroep is, in aanmerking genomen wat hiervoor onder 2.2 is vooropgesteld, niet zonder meer begrijpelijk.
2.4
Voor zover het cassatiemiddel daarover klaagt, slaagt het.

3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van het eerste cassatiemiddel en de overige cassatiemiddelen niet nodig.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- verklaart de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 28 februari 2012 nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 november 2021.