Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
16 november 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het hof Amsterdam inzake rijden onder invloed van alcohol en cocaïne, in strijd met artikel 8.2.b van de Wegenverkeerswet 1994.
De verdachte had in hoger beroep via zijn raadsman een aanhoudingsverzoek ingediend met het doel de vijfjaarstermijn van de recidiveregeling van artikel 123b WVW 1994 te laten verstrijken, zodat hij zijn rijbewijs niet zou verliezen. Het hof had nagelaten hier gemotiveerd op te beslissen.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het hof nader te toetsen, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Daarom heeft de Hoge Raad het beroep verworpen en het arrest van het hof in stand gelaten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof Amsterdam over rijden onder invloed.