Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
23 november 2021.
Hoge Raad
In deze zaak stond een 67-jarige verdachte terecht voor ontucht met zijn 10-jarige kleindochter tijdens het oppassen, gepleegd meermalen. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch had de verdachte veroordeeld op basis van verklaringen van het slachtoffer en haar ouders. De verdachte stelde in cassatie onder meer vragen over het bewijsminimum en de toepassing van het zogenoemde 'unus testis' principe (één getuige).
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat de klachten onvoldoende zijn om het arrest van het hof te vernietigen. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om inhoudelijk in te gaan op de vragen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer. Het beroep werd verworpen, waarmee het vonnis van het gerechtshof in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor ontucht met minderjarige.