Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
19 oktober 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een onherroepelijk arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uit 2016, waarin de aanvrager is veroordeeld voor afpersing, opzetheling, meermalige verduistering en een overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof legde een gevangenisstraf van dertig maanden op, inclusief terbeschikkingstelling met dwangverpleging, en een ontzegging van de rijbevoegdheid.
De aanvrager verzocht om herziening op grond van twee deskundigenrapporten die na het onherroepelijk worden van het arrest waren opgesteld. Hij stelde dat het hof bij kennis van deze rapporten geen TBS met dwangverpleging zou hebben opgelegd, wat volgens hem een minder zware strafbepaling zou zijn in de zin van artikel 457 lid 1 sub c Sv Pro.
De Hoge Raad oordeelt dat onder een minder zware strafbepaling moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt, en niet het opleggen van een andere sanctie of het achterwege laten daarvan. De aangevoerde deskundigenrapporten kunnen daarom niet als novum worden aangemerkt dat tot herziening kan leiden. De aanvraag wordt dan ook kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen.
De uitspraak benadrukt de strikte interpretatie van de voorwaarden voor herziening en bevestigt dat alleen feiten of omstandigheden die leiden tot een minder zware strafbepaling in de wettelijke zin een grond kunnen vormen voor herziening.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens onjuiste interpretatie van het begrip minder zware strafbepaling.