ECLI:NL:HR:2021:1521

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 oktober 2021
Publicatiedatum
14 oktober 2021
Zaaknummer
20/03051
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.1 WVW 1994Art. 9.2 WVW 1994Art. 359 lid 6 SvArt. 359 lid 8 SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende strafmotivering bij rijden tijdens ontzegging rijbevoegdheid

De verdachte werd door het hof veroordeeld voor het rijden tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid en het rijden met een ongeldig rijbewijs. Het hof legde een gevangenisstraf van acht weken op, waarvan vier weken voorwaardelijk. In cassatie werd aangevoerd dat het hof niet in het bijzonder de redenen had vermeld die tot de oplegging van de vrijheidsbenemende straf hadden geleid, zoals vereist door artikel 359 lid 6 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

De Hoge Raad oordeelde dat de strafmotivering niet voldeed aan de wettelijke eisen, omdat het hof niet duidelijk had gemaakt waarom een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming werd opgelegd. Dit gebrek aan motivering leidt volgens artikel 359 lid 8 Sv Pro tot nietigheid van het strafopleggingsdeel van het arrest.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe beoordeling en beslissing over de straf. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan op 19 oktober 2021 door de Strafkamer van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd vanwege onvoldoende motivering van de vrijheidsbenemende straf en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/03051
Datum19 oktober 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 september 2020, nummer 22-005648-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te ' [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.W.M. Stevens, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid 6 van Pro het Wetboek van Strafvordering in zijn uitspraak niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.
3.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 12 tot en met 15.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 oktober 2021.