ECLI:NL:HR:2021:1459

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 oktober 2021
Publicatiedatum
7 oktober 2021
Zaaknummer
20/01756
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep deeltijdstudent tegen uitsluiting opleiding wegens studievoortgang

In deze zaak heeft een deeltijdstudent beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 maart 2020, waarin het hof het beroep van de student tegen uitsluiting van de opleiding wegens onvoldoende studievoortgang heeft afgewezen. De hogeschool had de student uitgesloten op grond van een gebrekkige studievoortgang en een voorgenomen uitfasering van de opleiding.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de student beoordeeld en geoordeeld dat de klachten tegen het arrest van het hof niet leiden tot vernietiging. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het hof nader te toetsen, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van de hogeschool behoeft geen behandeling omdat het principale beroep is verworpen. De Hoge Raad veroordeelde de student tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de hogeschool.

Het arrest is gewezen door raadsheren F.J.P. Lock (voorzitter), A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink en in het openbaar uitgesproken door H.M. Wattendorff op 8 oktober 2021.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de deeltijdstudent wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/01756
Datum8 oktober 2021
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: [eiser],
advocaat: K. Aantjes,
tegen
STICHTING HZ UNIVERSITY OF APPLIED SCIENCES,
gevestigd te Vlissingen,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: HZ,
advocaten: J.W.H. van Wijk en P.J. Tanja.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/02/307135 / HA ZA 15-731 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 februari 2016 en 12 oktober 2016;
de arresten in de zaak 200.213.174/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 mei 2017 en 10 maart 2020.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof van 10 maart 2020 beroep in cassatie ingesteld. HZ heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor HZ toegelicht door haar advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het principale beroep;
  • veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van HZ begroot op € 6.971,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren F.J.P. Lock, als voorzitter, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
8 oktober 2021.