ECLI:NL:HR:2021:1453

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 oktober 2021
Publicatiedatum
7 oktober 2021
Zaaknummer
20/01337
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieWet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verlaging verplichte uittredingsleeftijd en compensatieplicht volgens redelijkheid en billijkheid

In deze zaak stond de vraag centraal of een besluit tot verlaging van de verplichte uittredingsleeftijd van vennoten zonder compensatie in strijd is met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid en de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid.

De zaak betreft een geschil tussen HAB Holding B.V. en meerdere verweersters over de rechtmatigheid van deze verlaging en de omvang van een eventuele schadevergoeding. De Hoge Raad heeft het geding in cassatie behandeld na eerdere uitspraken van de rechtbank Amsterdam en het gerechtshof Amsterdam.

De Hoge Raad heeft de klachten tegen de arresten van het hof en de rolbeslissing beoordeeld en geoordeeld dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van die arresten. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de motivering nader toe te lichten, omdat de klachten geen vragen opriepen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van de verweersters behoeft daarom geen behandeling. De Hoge Raad heeft het principale cassatieberoep verworpen en HAB veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Het arrest is gewezen door de vicepresident en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2021.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en HAB wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/01337
Datum8 oktober 2021
ARREST
In de zaak van
HAB HOLDING B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: HAB,
advocaat: J.H.M. van Swaaij,
tegen
1. [verweerster 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [verweerster 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
3. [verweerder 3],
gevestigd te [woonplaats],
4. [verweerder 4],
gevestigd te [woonplaats],
VERWEERSTERS in cassatie, eiseressen in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: [verweersters],
advocaat: A.C. van Schaick.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak C/13/598948 / HA ZA 15-1107 van de rechtbank Amsterdam van 24 augustus 2016;
de arresten in de zaak 200.199.167/01 van het gerechtshof Amsterdam van 27 september 2016, 19 december 2017, 19 of 20 maart 2019 (hierna: de rolbeslissing) en 7 januari 2020.
HAB heeft tegen de arresten van het hof van 19 december 2017 en 7 januari 2020 en de rolbeslissing beroep in cassatie ingesteld. [verweersters] hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.
De advocaat van HAB heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten en de rolbeslissing van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die arresten en rolbeslissing. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat een van de klachten in het principale beroep slaagt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het principale beroep;
  • veroordeelt HAB in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweersters] begroot op € 6.971,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien HAB deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
8 oktober 2021.