ECLI:NL:HR:2021:1367

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2021
Publicatiedatum
24 september 2021
Zaaknummer
21/01849
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36c Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens gebrek aan machtiging

In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie beoordeeld dat was ingesteld namens een vennootschap onder firma (V.O.F.). De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener van het beroepschrift verzocht binnen zes weken een bewijsstuk te overleggen waaruit blijkt dat hij gemachtigd was om het beroep in cassatie in te dienen, dan wel een verklaring van degene namens wie het beroep werd ingesteld dat hiermee instemde. Deze termijn eindigde op 22 juni 2021.

De indiener heeft echter geen machtiging of verklaring overgelegd. Op grond hiervan concludeert de Hoge Raad dat de indiener niet bevoegd was om het beroep in cassatie namens de V.O.F. in te stellen. Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding om de proceskosten aan de indiener op te leggen. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2021.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/01849
Datum24 september 2021
ARREST
op het door A.F.M.J. Verhoeven te Westerhoven ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 maart 2021, nr. 20/00441
.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Het beroep in cassatie is volgens het beroepschrift ingesteld namens [X] V.O.F. te [Z].
De griffier van de Hoge Raad heeft op 11 mei 2021 een bericht geplaatst in het onder zaaknummer 21/01849 aangemaakte digitale dossier, waarbij de indiener van het beroepschrift is verzocht binnen zes weken een bewijsstuk over te leggen waaruit blijkt dat hij is gemachtigd om het beroepschrift in cassatie in te dienen, dan wel een verklaring van degene namens wie hij beroep in cassatie heeft ingesteld dat deze daarmee instemt. Die termijn eindigde op 22 juni 2021. Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in het hiervoor bedoelde digitale dossier is eveneens op 11 mei 2021 een notificatie verzonden naar het door de indiener van het beroepschrift voor dit doel opgegeven emailadres. Op grond hiervan neemt de Hoge Raad aan dat de indiener van het beroepschrift dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, lid 2, Awb, op 11 mei 2021.
De indiener van het beroepschrift heeft de gevraagde machtiging of verklaring echter niet overgelegd. Daarom gaat de Hoge Raad ervan uit dat de indiener van het beroepschrift niet bevoegd was namens [X] V.O.F. beroep in cassatie in te stellen, en zal de Hoge Raad het beroep in cassatie op die grond niet-ontvankelijk verklaren.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2021.