Uitspraak
1.Geding in cassatie
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende had beroep ingesteld tegen aanslagen inkomstenbelasting voor de jaren 2012 tot en met 2014, maar diende geen gronden van het beroep in bij het beroepschrift. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat belanghebbende de gronden niet binnen de gestelde termijn had ingediend, ondanks meerdere brieven waarin zij werd verzocht dit alsnog te doen.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar de rechtbank handhaafde haar oordeel. De Hoge Raad oordeelde echter dat de herinneringsbrief die de gemachtigde ontving niet duidelijk maakte dat het ging om het herstel van het ontbreken van de beroepsgronden en welke termijn daarvoor gold.
Daarom was het oordeel van de rechtbank dat geen herstelmogelijkheid bestond onjuist of onvoldoende gemotiveerd. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond, vernietigde de uitspraak en verwees de zaak naar de rechtbank Den Haag voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht terugbetaald.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt uitspraak rechtbank en verwijst zaak terug wegens onduidelijke herstelmogelijkheid beroepsgronden.