ECLI:NL:HR:2021:1291

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2021
Publicatiedatum
17 september 2021
Zaaknummer
20/00812
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-tijdige betaling griffierecht

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld en vastgesteld dat het griffierecht niet tijdig is voldaan. Ondanks een herinnering en een termijn van vier weken, werd het griffierecht pas na deze termijn bijgeschreven.

Belanghebbende heeft een verklaring gegeven voor de late betaling, maar deze werd niet als voldoende grond geaccepteerd om het verzuim te rechtvaardigen. Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht is het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard.

De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het reeds betaalde griffierecht wordt aan belanghebbende teruggegeven. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2021.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/00812
Datum17 september 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende),
vertegenwoordigd door S.H.M. Ibrahim
tegen
de MINISTER VAN FINANCIËN VAN SINT MAARTEN,
vertegenwoordigd door J.R.J. Chayadi
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 27 januari 2020, nr. SXM2019H00041, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (nr. SXM201800391).

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 21 juli 2020 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is blijkens een van de gemachtigde van belanghebbende ontvangen ontvangstbevestiging op 23 juli 2020 door die gemachtigde ontvangen. Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn voldaan, aangezien het pas op 24 augustus 2020 is bijgeschreven op de bankrekening van de Hoge Raad.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 9 september 2020 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Hetgeen belanghebbende in zijn brief van 1 oktober 2020 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet–ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A Fierstra als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2021.
Het door belanghebbende als griffierecht betaalde bedrag van € 131 wordt door de griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende teruggegeven.