Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
16 februari 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de invoer van cocaïne en het voorhanden hebben van een revolver.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het gedeelte van het arrest dat betrekking had op de opgelegde gevangenisstraf, met een voorstel tot vermindering daarvan, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de overige onderdelen van het arrest niet tot vernietiging konden leiden en hoefde deze niet nader te motiveren.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden. Dit leidde tot een vermindering van de straf van 24 maanden naar 23 maanden en 3 weken. Het arrest werd dienovereenkomstig gewezen door de Hoge Raad op 16 februari 2021.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 24 maanden naar 23 maanden en 3 weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.