Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
De rechtbank heeft met betrekking tot dat geldbedrag geoordeeld dat zich de situatie van artikel 94a lid 4 Sv voordoet. Aan dat oordeel heeft de rechtbank in de kern ten grondslag gelegd dat de verdachte en diens partner [betrokkene 2], ongeacht de vraag wie het geld oorspronkelijk op de rekening van hun zoon [betrokkene 4] had gestort, als ouders “vorderingsgerechtigd op het saldo” van die rekening waren, dit geldbedrag daarom tot hun vermogen moet worden gerekend en er voldoende aanwijzingen zijn dat het geld aan de klager is overgemaakt “met als doel om geld uit het vermogen van de verdachte weg te sluizen.” Die oordelen zijn niet zonder meer begrijpelijk, omdat - anders dan de rechtbank kennelijk heeft geoordeeld - de enkele omstandigheid dat de ouders op grond van artikel 1:253i BW bewindvoerder zijn over het vermogen van hun minderjarige kind, niet met zich brengt dat dit vermogen aan de ouders toebehoort.
3.Beslissing
14 september 2021.