ECLI:NL:HR:2021:1161

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juli 2021
Publicatiedatum
15 juli 2021
Zaaknummer
20/01550
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in aansprakelijkheidszaak tegen Aruba Bank

De zaak betreft een cassatieberoep van verzoekster tegen Aruba Bank inzake aansprakelijkheid voor opzegging en een daaropvolgende schadestaatprocedure. De procedure begon bij het gerecht in eerste aanleg van Aruba met meerdere vonnissen tussen 2012 en 2017, gevolgd door een arrest van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie in 2020.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de klachten van verzoekster onvoldoende zijn om het hofvonnis te vernietigen. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het hof nader te onderzoeken, omdat de klachten geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling of rechtsvorming bevatten, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde verzoekster tot betaling van de proceskosten, waaronder een bedrag van €6.971,34 aan verschotten en €2.200,-- aan salaris advocaat. Het arrest werd uitgesproken door raadsheer M.J. Kroeze en gewezen door de raadsheren Wattendorff, Schaafsma en Salomons op 16 juli 2021.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoekster wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/01550
Datum16 juli 2021
ARREST
In de zaak van
[verzoekster] N.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: [verzoekster],
advocaat: J. de Jong van Lier,
tegen
ARUBA BANK N.V.,
gevestigd in Aruba,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Aruba Bank,
advocaat: D.A. van der Kooij.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak A.R. 3142 van 2010 van het gerecht in eerste aanleg van Aruba van 28 november 2012, 9 september 2015, 17 februari 2016 en 24 mei 2017;
het vonnis in de zaak AR 3142/2010 - AUA201000008 - AUA2017H00091 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 11 februari 2020.
[verzoekster] heeft tegen het vonnis van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Aruba Bank heeft een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor Aruba Bank mede door J. van Kralingen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [verzoekster] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het vonnis van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat vonnis. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Aruba Bank begroot op € 6.971,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op
16 juli 2021.