Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
13 juli 2021.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde een cassatieberoep tegen het arrest van het hof Amsterdam dat verdachte veroordeelde voor medeplegen van een woninginbraak op 2 november 2017. Het hof baseerde de bewezenverklaring voornamelijk op herkenningen van de verdachte door vier verbalisanten aan de hand van camerabeelden en interne politieaandachtvestigingen.
De verdediging verzocht het hof deze verbalisanten als getuigen te horen om het ondervragingsrecht te kunnen uitoefenen, met name over de totstandkoming van de herkenningen en mogelijke vooroverleggen. Dit verzoek werd door het hof afgewezen, omdat het hof geen reden zag om te twijfelen aan de juistheid van de processen-verbaal en geen noodzaak zag voor het horen van de verbalisanten.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ontoereikend had gemotiveerd waarom het verzoek werd afgewezen, terwijl het belang bij het oproepen en horen van deze getuigen in dit geval moet worden voorondersteld. Daarnaast had het hof niet onderzocht of de procedure in haar geheel voldeed aan het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro. De verklaringen van de niet-ondervraagde getuigen werden gebruikt voor bewijs, zonder dat de verdediging het ondervragingsrecht kon uitoefenen, en zonder dat er voldoende compenserende factoren waren.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe berechting. Dit arrest sluit aan bij eerdere jurisprudentie over de eisen aan motivering en het belang van het ondervragingsrecht bij getuigen die belastende verklaringen hebben afgelegd.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens schending van het recht op een eerlijk proces.