Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
2 juni 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2019, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van smaadschrift door het publiceren van een boek waarin de aangever in verband werd gebracht met een moord waarvoor een ander onherroepelijk was veroordeeld.
De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder de stelling dat de vervolging was gebaseerd op een valse aangifte van de aangever, een beroep op artikel 261 lid 3 Sr Pro, en dat de strafoplegging in strijd zou zijn met artikel 7 van Pro de Grondwet, artikel 10 EVRM Pro en artikel 19 IVBPR Pro wegens het ontbreken van een pressing social need.
Daarnaast werd aangevoerd dat het hof ten onrechte tot een einduitspraak was gekomen terwijl verdachte na sluiting van het onderzoek maar vóór de einduitspraak een wrakingsverzoek had ingediend.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad heeft het beroep verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor medeplegen van smaadschrift.