Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
21 januari 2020.
Hoge Raad
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof had in een tussenarrest van 14 augustus 2017 beslist dat bepaalde getuigenverzoeken moesten worden beoordeeld op basis van het noodzaakcriterium, omdat het appelschrift niet tijdig was ontvangen. In de einduitspraak van 9 mei 2018 werden deze beslissingen herbeoordeeld onder een andere maatstaf, waarbij het appelschrift wel als tijdig werd beschouwd.
De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is voor zover het zich richt tegen het tussenarrest, omdat de bestreden einduitspraak niet mede op dat tussenarrest berust. De overige klachten tegen het hof worden verworpen zonder nadere motivering, omdat deze niet relevant zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht jaar naar zeven jaar en zeven maanden. De Hoge Raad vernietigt daarom de strafoplegging en vermindert de straf dienovereenkomstig, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van acht jaar naar zeven jaar en zeven maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn, terwijl het cassatieberoep voor het tussenarrest niet-ontvankelijk wordt verklaard.