Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
12 mei 2020.
Hoge Raad
In deze zaak ging het om een cassatieberoep van betrokkene tegen een verstekvonnis van het gerechtshof Arnhem inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit diefstal met braak.
Betrokkene stelde meerdere middelen aan de orde, waaronder schending van de redelijke termijn, schending van artikel 51 oud Pro Sv en de toerekening van het gehele bedrag aan hem. De advocaat-generaal concludeerde dat betrokkene op grond van artikel 80a RO niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
De Hoge Raad overwoog dat nu het openbaar ministerie in de hoofdzaak niet-ontvankelijk was verklaard in de vervolging, betrokkene geen voldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard conform artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 12 mei 2020.
Uitkomst: Het cassatieberoep van betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.