Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
12 mei 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of een digitale opslagruimte, zoals een clouddienst, kan worden beschouwd als een gegevensdrager in de zin van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht, dat het bezit van kinderpornografisch materiaal strafbaar stelt.
De verdachte werd bewezenverklaard dat hij in de periode van december 2014 tot februari 2016 kinderpornografisch materiaal in bezit had, zowel op een laptop als op een digitale opslagruimte (Skydrive). Diverse proces-verbalen en onderzoeken van politie en opsporingsdiensten bevestigden het bezit van 32 afbeeldingen op de laptop en 2 afbeeldingen in de digitale opslagruimte.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof onterecht had geoordeeld dat de digitale opslagruimte als een fysieke gegevensdrager kon worden beschouwd, aangezien de term 'bezit' volgens de wetsgeschiedenis een fysieke connotatie heeft. Echter, omdat het bezit van de laptop met kinderpornografisch materiaal ook bewezen was, leidde dit niet tot cassatie. De aard en ernst van het bewezenverklaarde bleven ongewijzigd.
Het beroep in cassatie werd daarom verworpen. De uitspraak bevestigt de noodzaak om onderscheid te maken tussen digitale opslagruimte en fysieke gegevensdragers bij de toepassing van artikel 240b Sr, zonder afbreuk te doen aan de bewezenverklaring omtrent het bezit van materiaal op een fysieke laptop.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; bezit van kinderpornografisch materiaal op laptop is bewezen, digitale opslagruimte is geen fysieke gegevensdrager.