Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
21 april 2020.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van doodslag en meervoudige diefstal met gebruik van een valse sleutel. De verdachte had in de woning van het slachtoffer geweld toegepast en diens pinpas meegenomen om geld op te nemen.
In cassatie werden diverse klachten ingebracht, onder meer over het gebruik van beeldmateriaal dat niet in het dossier zat en de overschrijding van de wettelijke termijn voor uitspraak na afronding van het onderzoek. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en hoefde dit niet nader te motiveren.
Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van dertien jaar en zes maanden naar dertien jaar en vier maanden.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafmaat, verminderde de straf en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van dertien jaar en zes maanden naar dertien jaar en vier maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.