Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
21 april 2020.
Hoge Raad
In deze zaak is de verdachte in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van doodslag en diefstal, waarbij geweld is gebruikt in de woning van het slachtoffer en een fles whisky is meegenomen. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 november 2018.
De Hoge Raad heeft de ingediende cassatiemiddelen beoordeeld en deze niet ontvankelijk verklaard voor zover zij tot vernietiging van het arrest zouden kunnen leiden, zonder nadere motivering omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot vernietiging van het arrest uitsluitend met betrekking tot de strafduur, met vermindering van de gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf.
De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van elf jaar en zes maanden naar elf jaar en vier maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van elf jaar en zes maanden naar elf jaar en vier maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.