Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
21 april 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor deelname als koerier aan een organisatie die zich bezighield met de uitvoer van cocaïne en heroïne naar België, op grond van artikel 11a van de oude Opiumwet.
Het cassatieberoep werd ingesteld door verdachte en ondersteund door zijn advocaat. De advocaat-generaal adviseerde echter tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte beoordeeld en geoordeeld dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft de Hoge Raad het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk verklaard. Tevens is in de overwegingen aandacht besteed aan de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase en de mogelijke herziening van het beleid van de Hoge Raad omtrent artikel 80a RO, mede in samenhang met andere zaken.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 21 april 2020.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens duidelijke kansloosheid.