Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
21 april 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor het bezit van cocaïne en hasj, de verkoop van cocaïne en heroïne, medeplegen van witwassen en het voorhanden hebben van een stroomstootwapen. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 54 maanden.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De advocaat-generaal adviseerde om het arrest te vernietigen en de straf te verminderen tot een gebruikelijke maatstaf, maar het beroep verder te verwerpen. De Hoge Raad beoordeelde de ingebrachte cassatiemiddelen en oordeelde dat de klachten over het oordeel van het hof niet tot vernietiging konden leiden.
Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het cassatieberoep volgde. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 54 maanden naar 48 maanden.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de duur van de straf en wees het beroep verder af. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 21 april 2020.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van 54 naar 48 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.