Uitspraak
wonende te [woonplaats],
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
17 april 2020.
Hoge Raad
In deze zaak heeft betrokkene cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 30 september 2019 betreffende een voorlopige machtiging op grond van de Wet Bopz. De voorlopige machtiging betreft een situatie waarin sprake is van een stoornis van de geestvermogens en gevaar, en de vraag of het gevaar buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.
De Hoge Raad heeft de klachten van betrokkene beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet kunnen leiden tot vernietiging van de beschikking. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om motivering te geven omdat de beoordeling geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht bevatte, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend, en de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op deze conclusie gereageerd.
De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. De uitspraak is gedaan door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Kroeze, Wattendorff en in het openbaar uitgesproken door Du Perron op 17 april 2020.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.