Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beslissing
14 april 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van oplichting door onder valse voorwendselen een bedrijf 4752 laptops te laten afgeven.
De Hoge Raad beoordeelde meerdere cassatiemiddelen, waaronder de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen, de waarde van herkenning door een medeverdachte en het bewijsminimum volgens artikel 342 lid 2 Sv Pro. Deze klachten werden verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Wel werd het cassatiemiddel gegrond verklaard dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat het hof de processtukken te laat had ingezonden. Dit leidde tot vernietiging van het deel van het arrest dat de strafoplegging betrof en vermindering van de gevangenisstraf van 21 maanden naar 20 maanden.
De Hoge Raad verwierp het beroep voor het overige en bevestigde daarmee de inhoudelijke schuldvraag en bewijswaardering van het hof. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren in aanwezigheid van de griffier.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 21 naar 20 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.