Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
14 april 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplichtigheid aan medeplegen van oplichting. De oplichting betrof het onder valse voorwendselen laten afgeven van 4752 laptops door een bedrijf.
De verdachte stelde verschillende klachten in, onder meer over het opzet en de bijdrage aan de oplichting, alsmede over de wederrechtelijkheid van het verkrijgen van referentienummers. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat motivering niet noodzakelijk was vanwege artikel 81 lid 1 RO Pro.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zestien maanden (waarvan acht voorwaardelijk) naar vijftien maanden en twee weken (waarvan acht voorwaardelijk). Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd naar vijftien maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.