ECLI:NL:HR:2020:620

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 april 2020
Publicatiedatum
6 april 2020
Zaaknummer
18/05296
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 151 SrArt. 6 EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
6 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep inzake medeplegen lijkverbergen en overschrijding redelijke termijn

Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag over medeplegen van het verbergen, wegvoeren en begraven van een lijk met het oogmerk het feit of de oorzaak van het overlijden te verhullen, zoals bedoeld in artikel 151 Sr Pro.

De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder een klacht over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, vanwege het te laat inzenden van stukken door het hof.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat de overschrijding van de inzendtermijn wordt gecompenseerd doordat de Hoge Raad de zaak binnen zestien maanden afdoet, waardoor geen sprake is van een schending van de redelijke termijn.

Het beroep wordt derhalve verworpen. Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren M.J. Borgers en M. Kuijer.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/05296
Datum7 april 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 december 2018, nummer 22/000569-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep indien de Hoge Raad uitspraak doet vóór 17 april 2020, en tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige indien de Hoge Raad uitspraak doet ná 17 april 2020.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Nu de Hoge Raad de zaak binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep afdoet, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan - wat betreft de totale duur van de behandeling in cassatie - niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro.
3.3
Het cassatiemiddel faalt dus.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 april 2020.