ECLI:NL:HR:2020:557

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 april 2020
Publicatiedatum
31 maart 2020
Zaaknummer
19/02141
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in belastingzaak tegen Minister van Financiën Aruba

Belanghebbende, een vennootschap gevestigd te [Z], stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het geschil betrof een naheffingsaanslag en een boetebeschikking opgelegd over de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 betreffende de belasting op bedrijfsomzetten.

De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, aangezien de klachten geen vragen opriepen die relevant zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is gewezen door raadsheren E.N. Punt (voorzitter), M.E. van Hilten en E.F. Faase en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2020.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Hof bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/02141
Datum3 april 2020
ARREST
in de zaak van
[X] N.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de MINISTER VAN FINANCIËN VAN ARUBA
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 13 februari 2019, nr. AUA2018H00116, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (nr. AUA201600124) betreffende een aan belanghebbende over de tijdvakken in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 opgelegde naheffingsaanslag in de belasting op bedrijfsomzetten en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Minister van Financiën van Aruba heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.N. Punt als voorzitter, en de raadsheren M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2020.