Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
(9 x € 45.959,49 = ) €413.635,41.
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
31 maart 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden waarin het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene uit hennepteelt aan een woning in Westervoort heeft vastgesteld op €206.817,71, gebaseerd op negen oogsten tussen augustus 2007 en mei 2009. Betrokkene voerde aan dat hij slechts drie oogsten heeft gehad en dat hij in de beginperiode met zijn gezin in de woning woonde zonder te telen.
Het hof baseerde zijn schatting mede op een getuigenverklaring die stelde dat in 2007 een gezin in de woning woonde, en dat vanaf 2008 andere bewoners kwamen en er veel getimmer was, wat volgens het hof niet strookt met de stellingen van betrokkene. Het hof concludeerde dat de hennepkwekerij gedurende de gehele periode actief was en dat het voordeel pondsgewijs moest worden verdeeld met een medeverdachte.
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof over het wederrechtelijk verkregen voordeel niet zonder meer begrijpelijk is gelet op de gebruikte getuigenverklaring en de door betrokkene aangevoerde feiten. De motivering van de schatting is ontoereikend. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.