Uitspraak
1.De uitspraken waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.De conclusie van de advocaat-generaal
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
31 maart 2020.
Hoge Raad
De aanvrager werd door kantonrechters in Den Haag en Rotterdam veroordeeld voor snelheidsovertredingen op grond van artikel 62 juncto Pro bord A1 RVV 1990, met geldboetes, hechtenis en ontzegging van rijbevoegdheid. De aanvraag tot herziening betrof het betwisten van de handtekeningen op de antwoordformulieren waarop de aanvrager als bestuurder werd aangemerkt, en het aanvoeren dat de aanvrager zich tijdens de overtredingen in Spanje bevond.
De advocaat-generaal concludeerde dat de aanvraag gegrond was omdat er sprake was van nieuwe gegevens die bij de eerdere terechtzittingen niet bekend waren en die het vermoeden wekken dat de eerdere veroordelingen niet juist waren. De Hoge Raad volgde deze conclusie en verklaarde de aanvraag tot herziening gegrond.
De Hoge Raad beval tevens de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de vonnissen en verwees de zaken naar het gerechtshof Den Haag voor hernieuwde berechting en afdoening conform artikel 472 lid 2 Sv Pro. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 31 maart 2020.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond en verwijst de zaak naar het hof voor hernieuwde berechting.