Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.De conclusie van de advocaat-generaal
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
31 maart 2020.
Hoge Raad
De aanvrager werd door de politierechter veroordeeld voor het rijden tijdens een rijontzegging, opgelegd op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. De veroordeling betrof een taakstraf van 30 uur, subsidiair 15 dagen hechtenis.
Na de veroordeling werd echter vastgesteld dat de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen aan de aanvrager niet bij rechterlijke uitspraak was ontzegd. Dit betekende dat de aanvrager ten onrechte was veroordeeld voor het rijden tijdens een rijontzegging die feitelijk niet bestond.
Op grond van artikel 457 lid 1 onder Pro c van het Wetboek van Strafvordering werd een aanvraag tot herziening ingediend. De Hoge Raad volgde de conclusie van de advocaat-generaal dat sprake was van een nieuw gegeven dat bij de oorspronkelijke terechtzitting niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekte dat de aanvrager vrijgesproken zou zijn als dit gegeven bekend was geweest.
De Hoge Raad verklaarde de aanvraag gegrond, vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak de aanvrager vrij van het ten laste gelegde. De verwijzing naar een lagere rechter werd achterwege gelaten omdat geen ander oordeel mogelijk was dan vrijspraak.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een juiste en geldige rechterlijke ontzegging van de rijbevoegdheid als voorwaarde voor een veroordeling wegens rijden tijdens een rijontzegging.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond, vernietigt het vonnis en spreekt de aanvrager vrij van het ten laste gelegde.