Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
31 maart 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en mishandeling. Het hof had een gevangenisstraf opgelegd van 197 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Het cassatiemiddel klaagde dat na het wijzen van het arrest onvoldoende voortvarendheid was betracht bij de betekening van de verstekmededeling, waardoor de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden. De Hoge Raad stelde vast dat de verstekmededeling pas ruim na het verstekarrest was betekend, namelijk pas op 12 mei 2017, terwijl het verstekarrest dateerde van 26 juli 2013.
De Hoge Raad oordeelde dat hierdoor sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn en dat dit een vermindering van de opgelegde straf rechtvaardigde. De straf werd verminderd met 17 dagen tot 180 dagen gevangenisstraf, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd met 17 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn bij betekening van de verstekmededeling.