ECLI:NL:HR:2020:525

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 april 2020
Publicatiedatum
25 maart 2020
Zaaknummer
19/01408
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 107.1 WVW 1994Art. 359.6 SvArt. 81.1 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling rijden zonder rijbewijs en verwerpt cassatie

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 maart 2019, waarin de verdachte werd veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs. De verdachte stelde onder meer dat het hof ten onrechte volstond met een opsomming van bewijsmiddelen zonder de aan die bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden te vermelden, en dat het hof in strijd met artikel 359 lid 6 Sv Pro geen motivering gaf voor de keuze van de vrijheidsbenemende straf.

De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de motivering van het hof nader te toetsen, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep, waarop de raadsman van de verdachte schriftelijk had gereageerd.

De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en daarmee het arrest van het hof bevestigd. De opgelegde straf betrof een voorwaardelijke hechtenis van één week. Het arrest is uitgesproken op 7 april 2020 door de vice-president en twee raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor rijden zonder rijbewijs met een voorwaardelijke hechtenis van één week blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/01408
Datum7 april 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 maart 2019, nummer 21/007025-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 april 2020.