ECLI:NL:HR:2020:503

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2020
Publicatiedatum
23 maart 2020
Zaaknummer
18/03689
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 SrArt. 326.1 SrArt. 322 jo. 321 SrArt. 188 SrArt. 315 Sv
Verwijzingen
13 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens niet-beslissen op verzoek nieuw psychologisch onderzoek

De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake meerdere strafbare feiten waaronder medeplegen brandstichting en poging tot oplichting.

De kern van het cassatieberoep betreft het feit dat het hof niet heeft beslist op een verzoek van de verdediging tijdens de terechtzitting in hoger beroep om een nieuw psychologisch onderzoek te laten verrichten. Dit verzoek was voorafgaand aan de zitting afgewezen door de poortraadsheer, maar de verdediging herhaalde het verzoek ter zitting.

De Hoge Raad oordeelt dat dit verzoek kwalificeert als een verzoek tot benoeming van een deskundige op grond van art. 315 jo Pro. 328 Sv, waarop een uitdrukkelijke beslissing vereist is door de rechter die de zaak behandelt. Het hof heeft nagelaten hierop te beslissen, waardoor nietigheid is ontstaan op grond van art. 330 jo Pro. 415 Sv.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het gaat om de strafbaarheid en strafoplegging van de verdachte en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling en beslissing.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens niet-beslissen op het verzoek tot nieuw psychologisch onderzoek en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/03689
Datum24 maart 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 augustus 2018, nummer 20/003607-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het hof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof niet heeft beslist op een verzoek dat de verdediging op de terechtzitting in hoger beroep heeft gedaan om een psychologisch onderzoek te laten plaatsvinden.
2.2.1
De toelichting op het cassatiemiddel houdt in dat de raadsman van de verdachte voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting - daartoe in de gelegenheid gesteld door de poortraadsheer - een onderzoekswens kenbaar heeft gemaakt, dat die onderzoekswens het verzoek betrof tot het opmaken van een nieuw psychologisch rapport omtrent de verdachte, en voorts dat dit verzoek door de poortraadsheer is afgewezen.
2.2.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte daar onder meer het volgende aangevoerd:
“Cliënt heeft in de bijlage bij mijn pleitnotities geprobeerd om duidelijk onder woorden te brengen wat hem heeft bewogen. Hij zegt zich momenteel beter te kunnen uiten dan in een eerdere levensfase. Hij zegt zelf dat hij nu in staat is om zijn beslissingen beter en rustiger te overdenken en zich te uiten, al blijft dat moeilijk voor cliënt.
Ik herhaal het verzoek een nieuw psychologisch onderzoek te laten plaatsvinden. Ik heb er geen bezwaar tegen als het hof bij tussenarrest op dat verzoek beslist; dat hoeft niet hangende de terechtzitting.”
2.3
Het verzoek dat de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep heeft gedaan, is een verzoek tot het benoemen van een deskundige als bedoeld in artikel 315 in Pro samenhang met artikel 328 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. Op een ter terechtzitting gedaan verzoek als bedoeld in artikel 315 in Pro samenhang met artikel 328 Sv Pro dient te worden beslist door de rechter die met de behandeling van de zaak ter terechtzitting is belast. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch de uitspraak van het hof houdt een beslissing in op dit verzoek. Dat verzuim heeft op grond van artikel 330 in Pro samenhang met artikel 415 Sv Pro nietigheid tot gevolg.
2.4
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.

3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van de overige cassatiemiddelen niet nodig.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over de strafbaarheid van de verdachte en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het hof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
24 maart 2020.