Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
24 maart 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 december 2018. De verdachte werd veroordeeld voor het beledigen van twee politieambtenaren door voorafgaand aan een voetbalwedstrijd in Amsterdam de lettercombinatie 'ACAB' te zingen. De kern van het geschil betrof de opzet van de verdachte, in het bijzonder of hij de betekenis van 'ACAB' kende.
Namens de verdachte werd een cassatiemiddel ingediend, maar de advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat het niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer. Het beroep is verworpen en het arrest van het hof Amsterdam blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam wordt bekrachtigd.