ECLI:NL:HR:2020:495

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2020
Publicatiedatum
23 maart 2020
Zaaknummer
18/04771
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.C OpiumwetArt. 359.3 SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand · 11 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in zaak medeplegen en bezit amfetamine

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor medeplegen en het aanwezig hebben van amfetamine, in strijd met artikel 2.C van de Opiumwet. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch had de verdachte veroordeeld en het cassatieberoep richtte zich onder meer op de vraag of het hof terecht volstond met een beperkte motivering over bewijsuitsluiting en of het hof had moeten beslissen over het verweer inzake de redelijke termijn.

De advocaat van de verdachte voerde aan dat verder onderzoek niet was toegestaan vanwege het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld, en dat dit tot bewijsuitsluiting of strafvermindering moest leiden. Daarnaast werd betoogd dat het hof niet gemotiveerd had beslist over het redelijke termijn verweer.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet verplicht was om uitgebreid te motiveren waarom het volstond met de opgave van bepaalde bewijsstukken en dat het niet nodig was om te beslissen over het redelijke termijn verweer. De klachten konden niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof.

Hierdoor werd het cassatieberoep verworpen en bleef het arrest van het hof in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 24 maart 2020.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/04771
Datum24 maart 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 5 november 2018, nummer 20/003588-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft O.J. Much, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
24 maart 2020.