Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
24 maart 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam in een strafzaak over belastingfraude, waarbij de verdachte leiding gaf aan het doen van opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting namens een BV.
De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder een klacht over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, omdat het hof stukken te laat had ingezonden. De procureur-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest en strafvermindering.
De Hoge Raad oordeelde dat de klacht over de termijnoverschrijding gegrond was en dit aanleiding gaf tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twintig maanden naar negentien maanden. De overige klachten werden verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren Buruma en Claassens, op 24 maart 2020.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van twintig naar negentien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.