Uitspraak
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
20 maart 2020.
Hoge Raad
De officier van justitie verzocht om een voorlopige machtiging voor opname en verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank Amsterdam verleende deze machtiging na een mondelinge zitting waarbij betrokkene niet aanwezig was, maar wel haar advocaat, een psychiater en een verpleegkundige.
De rechtbank oordeelde dat betrokkene behoorlijk was opgeroepen en dat zij blijkbaar ervoor had gekozen niet tijdig te verschijnen, waardoor zij niet bereid zou zijn zich te laten horen. Dit oordeel was mede gebaseerd op een verklaring van de psychiater dat betrokkene kort voor de zitting aangaf alsnog te willen komen.
De Hoge Raad stelde vast dat dit oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, omdat de verklaring juist duidt op bereidheid van betrokkene om gehoord te worden. Daarom vernietigde de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank en verwees de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing.
De overige middelen behoefden geen behandeling. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij het oordeel over de bereidheid van betrokkene om zich te laten horen in procedures onder de oude Wet Bopz.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug wegens onvoldoende motivering omtrent het horen van betrokkene.