Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
28 januari 2020.
Hoge Raad
De betrokkene stelde in cassatie dat het voordeel dat hij uit mensenhandel had verkregen, ten onrechte volledig aan hem werd toegerekend. Hij voerde aan dat door het huwelijk van het slachtoffer in gemeenschap van goederen sprake was van boedelvermenging, waardoor de helft van het voordeel aan het slachtoffer toebehoorde en dus niet ontnemingsvatbaar was.
De Hoge Raad overwoog dat dit verweer niet slaagt en dat de middelen niet leiden tot cassatie. Er was geen aanleiding tot nadere motivering omdat de rechtsvragen niet in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling hoefden te worden beantwoord.
Ook werd het verzoek tot het horen van getuigen afgewezen op grond van artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Uiteindelijk verwierp de Hoge Raad het beroep en bevestigde daarmee het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 december 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontnemingsvordering wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit mensenhandel.