Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.De conclusie van de advocaat-generaal
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
10 maart 2020.
Hoge Raad
De aanvrager is door de kantonrechter veroordeeld wegens een snelheidsovertreding door een onbekend gebleven bestuurder van een op zijn naam staande auto. Volgens art. 181.3.b WVW 1994 is de eigenaar of houder niet strafbaar indien hij tijdig schriftelijk de naam en het volledige adres van de bestuurder aan het Openbaar Ministerie (OM) bekendmaakt.
De aanvrager had dit tijdig gedaan, maar deze bekendmaking was de kantonrechter bij de behandeling van de zaak niet bekend. Hierdoor kon de kantonrechter niet beoordelen of de aanvrager aan zijn verplichtingen had voldaan.
De Hoge Raad oordeelt dat dit een nieuw gegeven is in de zin van art. 457.1.c Sv, dat bij de eerdere terechtzitting niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, indien dit gegeven wel bekend was geweest, de zaak anders zou zijn beoordeeld. Daarom verklaart de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond, beveelt opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor hernieuwde berechting.
De advocaat-generaal had eveneens geconcludeerd dat de aanvraag gegrond moest worden verklaard en dat de zaak opnieuw moest worden behandeld door het gerechtshof. De Hoge Raad volgt deze conclusie en wijst de zaak terug voor een nieuwe beoordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor hernieuwde berechting.