ECLI:NL:HR:2020:380

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2020
Publicatiedatum
2 maart 2020
Zaaknummer
19/01002
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 585 SvArt. 586 SvArt. 587 SvArt. 588 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling begrijpelijkheid dagvaarding in persoon aan verdachte

In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van verdachte verworpen tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam. Het geschil betrof de vraag of de dagvaarding rechtsgeldig in persoon aan verdachte was betekend, ondanks dat verdachte weigerde te tekenen voor ontvangst.

De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof dat de dagvaarding in persoon is uitgereikt begrijpelijk is en dat de klachten van verdachte niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad zag geen noodzaak tot nadere motivering omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Dit arrest bevestigt de geldigheid van de betekening van dagvaardingen in persoon ook bij weigering van ontvangsttekening door verdachte.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het hof dat de dagvaarding rechtsgeldig in persoon is betekend ondanks weigering van ontvangsttekening.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/01002
Datum17 maart 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 februari 2019, nummer 23/002406-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
17 maart 2020.