Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Bespreking van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
18 februari 2020.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de verdachte was veroordeeld voor meermalen medeplegen van oplichting en medeplegen van diefstal. Het hof baseerde de bewezenverklaring mede op dactyloscopisch onderzoek uitgevoerd in Duitsland volgens BKA-aanbevelingen, waarvan de betrouwbaarheid door de verdediging werd betwist. De Hoge Raad oordeelde dat het hof deze onderzoeken terecht als betrouwbaar en bruikbaar bewijs had aangemerkt.
Echter stelde de Hoge Raad vast dat het hof bij de strafoplegging een voorwaardelijk deel had opgelegd terwijl de toepasselijke wettelijke regeling (art. 14a oud Sr) dat niet toestond bij een gevangenisstraf van meer dan drie jaar. Hierdoor werd de strafoplegging vernietigd en werd de zaak terugverwezen naar het hof voor een nieuwe strafoplegging.
De procedure omvatte uitgebreide discussie over de betrouwbaarheid van het Duitse dactyloscopisch bewijs, waarbij de verdediging onder meer stelde dat het bewijs niet voldeed aan Nederlandse standaarden. Het hof had echter voldoende gemotiveerd waarom het bewijs wel betrouwbaar was. Het cassatieberoep werd daarom afgewezen wat betreft de bewezenverklaring, maar gegrond verklaard voor het onderdeel strafoplegging.
De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor het deel van de strafoplegging en wees de zaak terug naar het hof 's-Hertogenbosch om de straf opnieuw vast te stellen conform de wettelijke voorschriften. Het overige beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor de strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting van de straf.