Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
11 februari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van gewoonteheling van een groot aantal auto’s. De verdachte werd oorspronkelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.
In cassatie werd onder meer geklaagd over de wetenschap van de verdachte omtrent de herkomst van de auto's en de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de inhoudelijke uitspraak van het hof niet tot vernietiging konden leiden en dat motivering hiervan niet noodzakelijk was.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden. Dit leidde tot een gegrondverklaring van het cassatiemiddel en tot vermindering van de straf. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en stelde de gevangenisstraf vast op 22 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
De rest van het cassatieberoep werd verworpen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, in aanwezigheid van de waarnemend griffier.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 24 naar 22 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.