Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
11 februari 2020.
Hoge Raad
De klager heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant betreffende een klaagschrift op grond van artikel 164 lid 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Het geschil betrof de inhouding van het vaarbewijs op grond van artikel 35a lid 2 van de Scheepvaartverkeerswet.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het vaarbewijs inmiddels is teruggegeven aan de klager. Deze teruggave is gebaseerd op artikel 35a lid 3 sub c van de Scheepvaartverkeerswet, dat bepaalt dat het vaarbewijs onverwijld wordt teruggegeven indien het strafrechtelijk onderzoek niet binnen 26 weken na de dag van invordering is aangevangen.
De Hoge Raad volgt deze conclusie en neemt het cassatieberoep niet in behandeling, omdat de klager geen belang meer heeft bij het beroep. De beschikking is uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad tijdens een openbare terechtzitting op 11 februari 2020.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het vaarbewijs reeds is teruggegeven.