Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
11 februari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van handelen in strijd met artikel 27.1 van de Wet wapens en munitie (WWM) door het dragen van balletjespistolen.
De verdachte klaagde dat het hof de balletjespistolen ten onrechte had aangemerkt als voorwerpen bestemd om mee te dreigen volgens artikel 2.1 categorie IV sub 7 WWM, terwijl het hof hem vrijsprak van het voorhanden hebben van op vuurwapens gelijkende voorwerpen ex artikel 2.1 categorie I sub 7 WWM. De klacht betrof de verhouding tussen deze wapencategorieën.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was om de klacht nader te motiveren, omdat deze niet van belang was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep werd dan ook verworpen.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers op 11 februari 2020.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het hofarrest bevestigd.