ECLI:NL:HR:2020:1921

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 december 2020
Publicatiedatum
1 december 2020
Zaaknummer
19/01553
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in omzetbelastingzaak

In deze zaak stond het beroep in cassatie centraal dat de Staatssecretaris van Financiën had ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het geschil betrof een door belanghebbende, een besloten vennootschap, op aangifte voldaan bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak van 1 juli 2012 tot en met 30 september 2012.

De Hoge Raad heeft de middelen van het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest kunnen leiden. Omdat de beoordeling geen vragen betrof die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, was een nadere motivering niet vereist.

De Advocaat-Generaal had eerder geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep, maar de Hoge Raad volgde dit niet. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op € 1.969 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Tevens werd een griffierecht van € 519 geheven van de Staatssecretaris.

Het arrest werd gewezen door de vice-president van Hilten als voorzitter en de raadsheren Punt, van Loon, van Kalmthout en Faase, en op 4 december 2020 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/01553
Datum4 december 2020
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 februari 2019, nr. 17/00980, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 15/3140), betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak 1 juli 2012 tot en met 30 september 2012. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 31 augustus 2020 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. [1]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.969 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2020.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 519.