ECLI:NL:HR:2020:1921
Hoge Raad
- Cassatie
- M.E. van Hilten
- E.N. Punt
- P.M.F. van Loon
- L.F. van Kalmthout
- E.F. Faase
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in omzetbelastingzaak
In deze zaak stond het beroep in cassatie centraal dat de Staatssecretaris van Financiën had ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het geschil betrof een door belanghebbende, een besloten vennootschap, op aangifte voldaan bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak van 1 juli 2012 tot en met 30 september 2012.
De Hoge Raad heeft de middelen van het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest kunnen leiden. Omdat de beoordeling geen vragen betrof die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, was een nadere motivering niet vereist.
De Advocaat-Generaal had eerder geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep, maar de Hoge Raad volgde dit niet. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op € 1.969 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Tevens werd een griffierecht van € 519 geheven van de Staatssecretaris.
Het arrest werd gewezen door de vice-president van Hilten als voorzitter en de raadsheren Punt, van Loon, van Kalmthout en Faase, en op 4 december 2020 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.