ECLI:NL:HR:2020:1869

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 november 2020
Publicatiedatum
23 november 2020
Zaaknummer
19/01979
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 94a SvArt. 116 SvArt. 3:86 BWArt. 552a Sv
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking inzake beslag op kratten en wijst zaak terug voor nieuwe beoordeling

Klager, een handelaar in pallets, had beslag gelegd op 8.950 kratten die inmiddels aan een ander bedrijf, dat de kratten verhuurt, waren teruggegeven. Klager verzocht primair om teruggave van de kratten en subsidiair om schadeloosstelling wegens winstderving.

De rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond omdat klager niet de rechtmatige eigenaar was van de kratten en er aangifte van diefstal was gedaan door het verhuurbedrijf. De rechtbank oordeelde dat het beslag terecht was gelegd en dat klager geen belang had bij teruggave.

In cassatie stelde de Hoge Raad vast dat de rechtbank niet had vastgesteld op welke wettelijke grondslag het beslag berustte en dat zij niet had getoetst aan de beoordelingsmaatstaven voor beslaglegging op grond van artikel 94 of Pro 94a Sv. Ook was niet duidelijk of artikel 116 lid 3 Sv Pro was toegepast. Daarom was de motivering van de rechtbank onvoldoende en werd de beschikking vernietigd.

De Hoge Raad verwees de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant om het klaagschrift opnieuw te behandelen en af te doen, waarbij de juiste wettelijke toetsing en motivering dienen plaats te vinden.

De beschikking is uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad tijdens een openbare terechtzitting op 24 november 2020.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor nieuwe behandeling en beslissing.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/01979 B
Datum24 november 2020
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 oktober 2018, nummer RK 18/1612, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft J.M.C. Wessels, advocaat te Zwijndrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de ongegrondverklaring van het klaagschrift.
2.2.1
De rechtbank heeft het klaagschrift van de klager, primair strekkende tot teruggave aan hem van de onder hem inbeslaggenomen kratten - die inmiddels aan een ander ([A]) zijn teruggegeven - en subsidiair tot schadeloosstelling door betaling van een geldbedrag aan hem, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
“Inleiding
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het op 24 mei 2018 gelegde beslag op de aan klager toebehorende:
- 8950 kratten.
(...)
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de inbeslagname van de kratten zonder enige strafrechtelijke grondslag heeft plaatsgevonden. Klager is de rechtmatige houder van de kratten en is geen verdachte van enig strafbaar feit. Nu de kratten reeds zijn teruggegeven aan [A], verzoekt de raadsman om schadeloosstelling van klager door middel van de betaling van een bedrag van € 8.364,97. Dit bedrag is berekend op grond van een winstderving van € 3,66 per krat.
De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu het beslag is beëindigd door teruggave van de kratten aan [A]. Subsidiair verzet de officier van justitie zich tegen gegrondverklaring van het klaagschrift en stelt in dat kader - kort samengevat - het volgende.
[A] heeft de afgelopen jaren meerdere aangiftes gedaan terzake van diefstal van kratten. De kratten die als gestolen zijn opgegeven hebben unieke codes. De kratten die bij klager zijn aangetroffen, zijn voorzien van deze unieke codes. Dientengevolge kan het niet anders dan dat de kratten van diefstal afkomstig zijn. Mocht klager de kratten hebben gekocht, dan kan [A] zich beroepen op derdenbescherming ex artikel 3:86, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Klager is derhalve niet de rechtmatige eigenaar van de kratten.
Beoordeling
Het klaagschrift is tijdig ingediend, immers binnen twee jaren na voornoemde inbeslagneming.
Met betrekking tot het beroep van de officier van justitie op niet-ontvankelijkheid van klager overweegt de rechtbank dat met de overdracht van de kratten aan [A] het belang bij een uitspraak over het inbeslaggenomen geldbedrag niet aan klager is komen te ontvallen gelet op het feit dat de kratten onder klager in beslag zijn genomen. Dat beroep wordt dan ook niet gehonoreerd.
De rechtbank is van oordeel dat dat uit de stukken en het verhandelde in raadkamer blijkt dat er op geen enkele wijze rechtmatig gehandeld kan worden in kratten van [A]. Daarnaast is er door [A] aangifte gedaan van diefstal van de kratten die dezelfde unieke codes hebben als de kratten die onder klager in beslag zijn genomen. Klager is niet de rechtmatige houder of eigenaar van de kratten. De rechtbank zal het beklag ongegrond verklaren.”
2.2.2
Tot de stukken van het geding behoort een namens de klager ingediend klaagschrift dat, voor zover hier van belang, het volgende inhoudt:
“3. (...) De inbeslagneming heeft zonder enige strafrechtelijke of andere grond plaatsgevonden. Klager wordt met betrekking tot de kratten ook niet van enig strafbaar feit vervolgd. Sterker nog, tegen klager is in het geheel geen proces-verbaal opgemaakt. Evenmin is klager door de politie gehoord, noch als verdachte, noch als getuige.
4. De raadsman heeft namens klager dan ook diverse malen aan de politie gevraagd de kratten aan klager terug te geven. Bij het openbaar ministerie (OM) zou de zaak niet bekend zijn. Klager rest thans dan ook niets anders dan Uw Rechtbank verzoeken het beslag op te heffen en een last tot teruggave van deze zaken af te geven.
5. Klager ontkent zich schuldig gemaakt te hebben aan enig strafbaar feit gerelateerd aan onderhavige kratten. De politie heeft weliswaar aangegeven dat deze kratten mogelijk van diefstal afkomstig zouden zijn, maar heeft desgevraagd aan de raadsman van klager geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat deze kratten daadwerkelijk zijn gestolen.
6. (...)
7. Er is sprake van beslag op grond van artikel 94 Sv Pro. Dat betekent dat Uw Raadkamer dient te beoordelen of teruggave wordt belet door een strafvorderlijk belang. Daarvan is geen sprake. Van enige strafzaak is niet gebleken, zodat niet wordt toegekomen aan de vraag of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend de verbeurdverklaring van de kratten zal bevelen. Kortom, geen strafvorderlijk belang verzet zich tegen teruggave van de kratten aan klager. Diens persoonlijk (financieel) belang bij teruggave aan hem van de kratten dient dan ook te prevaleren.
8. Mocht het voor het OM niet meer mogelijk zijn de kratten aan klager terug te geven, dan verzoekt klager Uw Raadkamer het OM te gelasten klager schadeloos te stellen door middel van betaling aan klager van een bedrag ad € 8.364,97, de waarde van de inbeslaggenomen kratten.”
2.2.3
Volgens het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer heeft de raadsman van de klager het klaagschrift - voor zover hier van belang - als volgt toegelicht:
“Ik betwist niet dat de kratten civielrechtelijk eigendom zijn van [A] (hierna telkens: [A]). Het systeem van statiegeld op bijvoorbeeld colaflessen is hetzelfde als mijn cliënt met de kratten doet. De kratten blijven van [A], maar als er statiegeld is betaald dan mag mijn cliënt de kratten gebruiken. Mijn cliënt heeft een pallethandel. Juridisch is mijn cliënt niet de eigenaar van de kratten, maar wel houder. Uiteindelijk gaan de kratten weer terug naar [A]. Op Marktplaats staan ook kratten van [A] te koop aangeboden. Mijn cliënt heeft de kratten niet onrechtmatig onder zich gehad. In de aangiftes zie ik niet dat er unieke codes op de kratten staan. Mijn cliënt is in ieder geval rechthebbende van het statiegeld. Er is geen verdenking van enig strafbaar feit jegens mijn cliënt gerezen. Mijn cliënt wil de schade van € 8.364,97 vergoed hebben.”
2.3
In de beschikking van de rechtbank ligt als haar oordeel besloten dat het beslag onder de klager is gelegd. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat geen toepassing is gegeven aan artikel 116 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Onder deze omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat het beklag het rechtskarakter heeft van een beklag omtrent het voornemen van de officier van justitie om in afwijking van de hoofdregel van artikel 116 Sv Pro het inbeslaggenomen voorwerp aan een ander dan de beslagene (klager) te doen teruggeven, alsof deze teruggave nog niet had plaatsgevonden (vgl. HR 30 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2480).
2.4
De rechtbank heeft evenwel niet vastgesteld op welke wettelijke grond(en) - genoemd in artikel 94 en Pro/of artikel 94a Sv - het onder de klager gelegde beslag berust. Evenmin heeft de rechtbank kenbaar getoetst aan de beoordelingsmaatstaven die dienen te worden gehanteerd bij de beoordeling van een beklag dat is gericht tegen een op grond van artikel 94 of Pro 94a Sv gelegd beslag. Daarom is het oordeel van de rechtbank dat het beklag ongegrond is, mede in het licht van artikel 116 lid 4 en Pro artikel 116 lid Pro 2, aanhef en onder c, Sv, niet toereikend gemotiveerd.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
24 november 2020.