Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
10 november 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor openlijke geweldpleging in een feesttent. De verdachte voerde onder meer beroep op professioneel handelen en noodweer aan, welke door de Hoge Raad werden verworpen.
Het centrale geschil in cassatie betrof de toepassing van vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Het hof had de verdachte verplicht tot betaling van een schadevergoeding aan het slachtoffer, met de mogelijkheid vervangende hechtenis op te leggen bij niet-betaling.
De Hoge Raad oordeelde dat de toepassing van vervangende hechtenis in deze context niet juist was en vernietigde het arrest voor zover deze sanctie was opgelegd. In plaats daarvan bevestigde de Hoge Raad dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast conform artikel 6:4:20 Sv Pro, zoals eerder bepaald in een vergelijkbare zaak (ECLI:NL:HR:2020:914).
Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 10 november 2020.
Uitkomst: Het arrest van het hof werd vernietigd voor zover vervangende hechtenis werd toegepast bij de schadevergoedingsmaatregel; gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.