Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
3 november 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag. De advocaat-generaal concludeerde tot ambtshalve vernietiging van het bestreden arrest voor zover vervangende hechtenis werd toegepast bij een opgelegde schadevergoedingsmaatregel, met het verzoek dat de Hoge Raad gijzeling van gelijke duur zou bepalen.
De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep getoetst en geoordeeld dat het beroep duidelijk niet kan slagen. Daarom maakte de Hoge Raad gebruik van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO) om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren.
Voorts overwoog de Hoge Raad, mede gelet op eerdere jurisprudentie, dat het bijzondere instrument van ambtshalve cassatie in gevallen waarin artikel 80a RO kan worden toegepast, niet snel aan de orde is. De Hoge Raad zag geen reden om terug te komen op zijn eerdere beslissing om geen ambtshalve cassatie toe te passen in zaken waarin vervangende hechtenis is verbonden aan een schadevergoedingsmaatregel.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad, waarbij het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a RO.