Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
3 november 2020.
Hoge Raad
De verdachte stelde in cassatie een motiveringsklacht in tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag, waarin het hof het beroep op noodweerexces verwierp. Het hof oordeelde dat geen sprake was van invoelbaar emotioneel overreageren, maar van handelingen die getuigen van rationaliteit en berekenbaarheid.
De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat de klachten onvoldoende waren om het arrest van het hof te vernietigen. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het hof nader te toetsen, omdat dit niet van belang was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het arrest werd uitgesproken door de Strafkamer van de Hoge Raad op 3 november 2020, waarbij de vice-president als voorzitter en twee raadsheren het arrest tekenden. Het beroep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het beroep op noodweerexces wordt afgewezen.