Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
4 februari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake een snelheidsovertreding waarbij de verdachte 79 km/u te hard reed. De advocaat van de verdachte diende een schriftuur in, maar deze kwam pas na het verstrijken van de wettelijke termijn bij de griffie van de Hoge Raad aan.
De advocaat-generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. De raadsman van de verdachte reageerde hier schriftelijk op, maar de Hoge Raad oordeelde dat de griffiersbetekening van de aanzegging in cassatie correct was geschied en dat er geen aanwijzingen waren dat de verzending misliep.
Daarom werd voorbijgegaan aan de stelling van de raadsman dat de mededeling niet was ontvangen. De Hoge Raad verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en nam het cassatieberoep niet in behandeling.
Deze uitspraak bevestigt het belang van tijdige indiening van stukken in cassatieprocedures en de zorgvuldigheid van de griffie bij betekening.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van de schriftuur.